Psalm 45 -3-: Over de zonen van Korach gesproken -2-
13/01/2021

Psalm 45 -3-: Over de zonen van Korach gesproken -2-

Vandaag wil ik nog een keer nadenken over de zonen van Korach.
De lof van JHWH in het midden van het volk uitbrengen ging hen ter harte. Zij wilden deze lof ook voor de HEERE God uitdrukken (Psalm 45:2).

Mijn hart brengt een goed woord voort; ik draag mijn gedichten Letterlijk: mijn werken voor over een Koning;

Verder lag hen het welzijn van de stad, die God uitverkoren had om daar onder Zijn volk te wonen, na aan het hart. Zij verstonden iets van de betekenis van de stad Jeruzalem in de gedachten van God, zoals we dat lezen in Psalm 48; 84; 87.

Zij wisten dat God hen dat in het hart gegeven had en beleden: “Al mijn bronnen zijn in U!” (Psalm 87:7). Deze gezindheid maakt hen tot werktuigen van God, om op profetsiche en ontroerende wijze iets van de gevoelens van de Heere Jezus/Yehoshua op Zijn weg naar Golgotha uit te drukken, zoals we dat kunnen lezen in Psalm 88.

De lofprijzing van God was de eerste opdracht van de nakomelingen van Korach. Nadat de ark van het verbond in Jeruzalem haar plaats gekregen had, verrichtten zij in het bijzonder deze dienst voor de tent van de samenkomst en later ten tijde van Salomo in de tempel.

Een bekende man onder hen is Heman, de zanger, die ook tot de raadgevers van David behoorde (1 Kronieken 6:31 e.v.). Hij was onder hen, die het transport van de ark uit het huis van Obed-Edom naar Jeruzalem met gezang en muziekinstrumenten begeleidden.

Zij waren onvoorstelbaar blij, dat de ark van het verbond als een bijzondere getuigenis van het wonen van God onder Zijn volk nu de juiste plaats kreeg.

En aan deze blijdschap gaven zij duidelijk uitdrukking. De drijfveer was de Geest van JHWH. De gewoonte in de tegenwoordigheid van God te leven en naar Zijn wil te vragen, maakte hen bekwaam ook andere taken uit te voeren.

Hun trouw; ook in tijden van grote zwakheid

Gedurende een tijd van ca. 500-600 jaren wordt dan nauwelijks iets genoemd over de nakomelingen van deze mannen. Maar daarna vinden we enkelne van hen onder degenen, die de oproep van koning Kores (of Cyrus) opvolgden en met Zerubbábel naar Jeruzalem trokken, om de tempel weer op te bouwen (Ezra 2:42). Zij werden als geschikt gezien, om daar weer hun dienst als zangers en poortwachters te verrichten. Nehemía 11:19 laat de conclusie toe, dat zij, naar het voorbeeld van hun vaderen, in Jeruzalem en dus in de nabijheid van het heiligdom van God woonden. De principes van de uitoefening van hun dienst waren ook na de terugkeer uit de gevangenschap de voor honderden jaren door David en Salomo opgeschreven geboden van God (Nehemía 12:45). Daarbij hebben zij juist in deze tijd geen goede voorbeelden.

De hogepriester Eljásib nam het niet zo nauw. Integendeel, hij ruimde de kamer in de tempel leeg, waarin het spijsoffer, de wierook en onder andere ook de gaven voor de zangers en de poortwachters bewaard werden, om plaats voor de Tobía te maken.

Ik denk dat het voorbeeld van de zonen van Korach voor ons van betekenis kan en mag zijn. Het komt niet aan op onze afkomst en de omstandigheden, maar op ons hart. De Heere God ziet het hart aan. Wanneer de liefde tot Hem in onze harte is uitgestort door de Heilige Geest dan mogen wij gegronde hoop hebben zegt Paulus in Romeinen 5 vers 5. Hoop voor de toekomst. Ook in deze tijd waarin de angst voor het Coronavirus elke dag in ruime mate wordt uitgegoten.

En niet de hoop op een werkend vaccin, waar de wereld zijn hoop op heeft gevestigd, maar deze hoop die de Heilige Geest in onze harten heeft uitgestort, beschaamd niet zegt de Heere God Zelf door de woorden van Paulus heen.

Laat onze hoop gericht zijn op wat Paulus aan zijn zoon Titus in het geloof op het hart drukt in zijn briefje in Titus 2 vers 13: Verwachten de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van den grote God en onzen Zaligmaker Jezus Christus.

Als dat geen zegen is.

We gaan luisteren naar een traditionele samenzang van Psalm 45 uit de Bovenkerk van Kampen. De woorden van de verzen 1 en 7 die gezongen worden luiden:

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,
Zal ’t schoonste lied van enen Koning zingen;
Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;
Is z’ als de pen van een, die vaardig schrijft.
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven;
Genâ is op uw lippen uitgestort,
Dies G’ eeuwiglijk van God gezegend wordt.

Straks leidt men haar in statie, uit haar woning,
In kleding, rijk gestikt, tot haren Koning;
Zo treedt zij voort met al den maagdenstoet,
Die haar verzelt, U vrolijk tegemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen,
Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof,
Ter bruiloft treên in ’t koninklijke hof.

Het zijn eeuwenoude woorden die nog steeds aan actualiteit niets hebben ingeboet.

We gaan luisteren:

Klik hieronder om naar de uitzending te luisteren:

Delen
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

EN / NL