Psalm 115 vers 4 – 7 Over de Overwinnaar gesproken
16/01/2020

Psalm 115 vers 4 – 7 Over de Overwinnaar gesproken

Passage: Psalm 115: 4-7

Psalm 115 vers 4-7

Hun afgoden zijn zilver en goud,
het werk van mensenhanden:

zij hebben een mond, maar spreken niet;
zij hebben ogen, maar zien niet;

zij hebben oren, maar horen niet;
zij hebben een neus, maar ruiken niet;

hun handen, die tasten niet;
hun voeten, die gaan niet
er komt geen geluid uit hun keel.

Laat wie ze maken hun gelijk worden,
al wie op hen vertrouwt.

Over de Overwinnaar gesproken
De schrijver van de Psalm schildert hier een onvoorstelbaar groot contrast met de voorgaande verzen. Daarin noemde hij de HEERE, Jahweh, de ‘Ik ben’ goedertieren.

Ik wil het hier nog even het contrast schilderen:

Chéséd, het hier gebruikte Hebreeuwse woord, is dat je weet dat een ander pijn heeft. En dat het je pijn doet dat een ander pijn heeft.

Een Rabbi vertelde zijn leerlingen hoe we onze naaste werkelijk moeten liefhebben. Luister mee.

Iemand zei eens: Vertel me, Ivan, heb je me lief?
En Ivan antwoordde: Ik heb je erg lief
Weet je dan, mijn vriend, wat me pijn doet?, vroeg de ander.
En Ivan antwoordde:  Maar hoe kan ik nou weten wat je pijn doet?
En de ander antwoordde: Als je niet weet wat me pijn doet, hoe kun je dan zeggen dat je me echt liefheb?

Begrijp goed mijn zonen, vervolgde de Rabbi: liefhebben, werkelijk liefhebben, is weten wat de ander pijn doet.

En dan nu de afgoden: Ze spreken niet, ze horen niet, ze zien niet, ze betasten niet, ze lopen niet. Zij zijn totaal zonder enig zintuig. Zo dood als een pier zouden we zeggen.

Wat een contrast met de HEERE, Jahweh. Die Zich zo inleeft in jou en mij, die ons zo liefheeft dat Hij weet wat jou en mij pijn doet. Over liefde gesproken…

Paulus spreekt in 1 Kor.12 vers 2 terecht over “stomme afgoden”.

God is een Vader. Een Vader Die spreekt en hoort. Bij Hem is er sprake van een dialoog. Als je het gesprek tussen God en Abram leest in Genesis, dan luister je mee met het gesprek van God met Abram.. God zei tot Abram in Genesis :

Ik zal je tot een groot volk maken, en je zegenen, en je naam groot maken en je zult tot een zegen zijn.

God spreekt tot Abraham, maar via Abraham gaat Hij niet alleen Israel, maar alle geslachten van de aardbodem zegenen. Als God er eentje uitkiest, is dat altijd ten dienste van de ander. In die ene zijn allen besloten. Alle geslachten van de aardbodem zijn in Abraham gezegend.

In Genesis 12 lezen we:

Toen ging Abram, zoals de Heere tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok.

De naam “Lot” betekent “sluier”. Dat zelfde woord kom je tegen in Jesaja 25 vers 7, waar we lezen:

En Hij zal op deze berg de sluier (lot) vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmede alle volken bedekt zijn.

God zal de sluier van Israel en de volkeren vernietigen. Hij zal de sluier wegnemen die nu over de wereld ligt. Nu worden nog afgoden nagelopen. Afgoden kennen geen goedertierenheid. Afgoden weten niet wat het is om te voelen wat de ander voelt. Hebben geen ware liefde. Afgoden zijn zo dood als een pier…

Maar Christus Jezus  heeft de doodsluier weggehaald. Want Hij zegt in Efeze 5 vers 14:

Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Ik zal over u lichten. Ik zal Licht over je brengen.

De begin tekst uit Psalm 115 zal uiteindelijk te niet gedaan worden. Het werk van mensenhanden  zoals in vers 4 geschreven staat, zal niet meer gevonden worden.

Maar straks zal het zijn: God alles en in allen.


 

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

EN / NL