Over de vijgenboom gesproken (3)
06/01/2022

Over de vijgenboom gesproken (3)

Klik hieronder om naar de uitzending te luisteren:


Psalm 103

13 Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen,
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.

14 Want Híj weet wat voor maaksel wij zijn
en blijft bedenken dat wij stof zijn.

Marcus 11 vers 22 tot en met 25
En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God. Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt. Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

En vervolgens lezen we in Matt. 24:32-36 waar Jezus de veel betekenende volgende woorden spreekt over de vijgenboom: ″Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is. Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan. Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen″ (Matt. 24:32-36).

Over de vijgeboom gesproken (3)

We lazen zojuis over e verdorde en de uitbottende vijgenboom. Maar zijn dat geen wee tegenstrijdige beelden?
Deze uitbottende vijgenboom is, net als de vervloekte vijgenboom, een teken van en voor Israël. Kunnen die twee tekenen dan naast elkaar bestaan? Is dat geen probleem? Ik denk het niet, maar juist een enorme bemoediging. De Heere laat in Zijn Woord op veel plaatsen zien dat Israël menselijkerwijs tot de ondergang gedoemd is. Toch zal geheel Israel behouden worden.

Paulus spreekt er van in Romeinen 11 en laat er geen enkel misverstand over bestaan:
Want als u (en hij spreekt hier tegen de heidenen) afgehouwen bent uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen de natuur in op de tamme olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen zij die natuurlijke takken zijn, geënt worden op hun eigen olijfboom.

Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen,totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

Dat laat aan duidelijkheid toch niets te wensen over?

Maar denk bijvoorveeld ook eens aan de volgende beelden uit de bijbel:

De brandende braamstruik (Exod. 3), die door het vuur van de Heere in brand staat, maar toch niet verteerd wordt. Een prachtig beeld van Israël, dat door de Heere getuchtigd wordt, maar niet zal vergaan;

De geboorte van Izak uit een ″verstorvene″ (Hebr. 11:12);

De tronk die ondanks afgehouwen, een heilig zaad is (Jes. 6:13);

De mannen in de brandende oven. Zij worden op onverklaarbare manier gered door de ‘zoon der goden’ (Dan. 3). Doet het opgerichte beeld van Nebukadnezar daarbij niet sterk denken aan dat van de antichrist? (Opb. 13:14-17);

De kameel die door het oog van de naald gaat (Matt. 19:24). Deze gelijkenis slaat in de eerste plaats op de rijken, maar toch zien we hierin ook het wonder van de verlossing van Israël en zondaren in het algemeen;

De opwekking van Lazarus (Joh. 11:1-46): gestorven, gebonden en begraven, maar toch tot leven gewekt. Ook vele andere genezingen staan symbool voor het wonderbaarlijke herstel van Israël.

Maar het meest sprekende tekstgedeelte over het hetstel van Israel en over Gods ontferming over Zijn kinderen, zoals Psalm 103 zegt vind ik toch wel in Ezechiel 37, waar we lezen o er het visioen van de beenderen:

1De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.

2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.

3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet het!

4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.

5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.

6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het bijbehorende been.

8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.

9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.

10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.

11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!

12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.

13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.

14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.

Dit is het bijbelse principe van ‘leven uit de doden’ dat we op veel plaatsen in Gods Woord tegenkomen. Het is het principe van de graankorrel die in de aarde valt en sterft, maar in het donker tot leven gewekt wordt en weer uitloopt.

″Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil; Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk″ (Rom. 11:28, 29). Juist daarom is Gods trouw aan Israël ook een bemoediging voor ons, want Hij is trouw ook al zijn wij ontrouw (2 Tim. 2:13).

Kijk, zo ontfermt zich Vader over zijn kinderen.

Als dat geen zegen is.

DELEN:

 

 

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

EN / NL