Psalm 94 -4-: Over geweld en recht gesproken        
05/06/2020

Psalm 94 -4-: Over geweld en recht gesproken        

Passage: Psalm 94

O God van alle wraak, HEERE,
God van alle wraak, verschijn blinkend!

Rechter van de aarde, verhef U,
vergeld de hoogmoedigen naar wat zij verdienen.

Hoelang zullen de goddelozen, HEERE,
hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen,

hun mond doen overvloeien, hooghartige taal spreken?
Hoelang zullen allen die onrecht bedrijven, zich beroemen?

HEERE, zij verbrijzelen Uw volk,
zij verdrukken Uw eigendom.

De weduwe en de vreemdeling doden zij;
zij vermoorden de wezen

en zeggen: De HEERE ziet het niet,
de God van Jakob merkt het niet.

Let op, onverstandigen onder het volk;
dwazen, wanneer zult u verstandig worden?

Zou Hij Die het oor plant, niet horen?
Zou Hij Die het oog vormt, niet zien?

Zou Hij Die de heidenvolken bestraft, niet straffen,
Hij Die de mens kennis bijbrengt?

De HEERE kent de gedachten van de mens:
vluchtig zijn ze.

Welzalig de man die U bestraft, HEERE,
en die U onderwijst uit Uw wet.

Zo geeft U hem rust voor dagen van onheil,
totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt.

Want de HEERE zal Zijn volk niet in de steek laten,
Hij zal Zijn eigendom niet verlaten.

Want het oordeel zal weer rechtvaardig zijn,
alle oprechten van hart zullen ermee instemmen.

Wie zal voor mij opkomen tegen de kwaaddoeners?
Wie zal zich voor mij opstellen tegen wie onrecht bedrijven?

Als de HEERE niet mijn Helper was geweest,
had mijn ziel bijna in de stilte gewoond.

Toen ik zei: Mijn voet wankelt,
ondersteunde Uw goedertierenheid mij, HEERE.

Toen mijn gedachten binnen in mij zich vermenigvuldigden,
verkwikten Uw vertroostingen mijn ziel.

Zou de zetel van het verderf een verbintenis met U aangaan,
die onheil sticht bij verordening?

Zij spannen samen tegen de ziel van de rechtvaardige,
onschuldig bloed verklaren zij schuldig.

Maar de HEERE is mij een veilige vesting geweest,
mijn God is mij tot een rots, mijn toevlucht.

Hij zal hun onrecht op hen doen terugkeren,
Hij zal hen in hun slechtheid ombrengen,
de HEERE, onze God, zal hen ombrengen.

Psalm 94

Over geweld en recht gesproken  
De voorgaande keer eindigden wij met de woorden: Ik kan mij zo voorstellen dat het gevoel van onbehagen ten aanzien van het gebruik van geweld in de Bijbel niet is weggenomen.

Ik wil daar nog een keer bij stilstaan. Tijdens de voorbereiding van de overdenkingen bij deze psalm las ik in een artikel over de Hebreeuwse letters, zeg maar het Hebreeuwse alfabet, het volgende over de letter ‘Nun’, of zoals wij misschien zouden zeggen de ‘N’.

Ik moet je zeggen, misschien een beetje een vreemde invalshoek, dat vond ik ook, maar het heeft mij iets geleerd over tekstgedeelten die spreken over geweld in de bijbel, zoals bijvoorbeeld in de psalm die we zojuist gelezen hebben.

Ik las namelijk het volgende. De naam ‘Nun’ betekent oorspronkelijk ‘vis’, het symbool van vrijheid: zo vrij als een vis in het water. En zoals je misschien weet heeft elke letter in het Hebreeuws ook een getalswaarde. Zo heeft de letter Nun de getalswaarde 50. Ik kom daar later nog op terug.

De letter ‘Nun’ duidt in het Hebreeuws op een doorbraak, op een nieuwe levensfase. Een nieuwe levensfase in de volkssamenleving. Immers, na een wachttijd van veertig jaar kwam het Godsvolk onder leiding van Jéhoshú’áh, de zoon van Nun (!), tot zijn unieke bestemming in het Land van de Belofte: in hun eigen land, waarin ieder mocht zitten onder zijn eigen vijgenboom en wijnstok. Na eeuwen van slavernij en onderdrukking van de systeemstaat Egypte en na jaren van ontheemd zijn en ontberingen in de woestijn, werd het volk binnengeleid in het land van de vrijheid, maar ook in het land van de directe verantwoordelijkheid tegenover zijn Schepper en Bevrijder. Hij, Die hun Zijn land gaf, wil ook als Gever worden erkend en elk jaar op de vastgestelde tijden, moet het volk daar uitdrukking aan geven. Hij Die het land rechtvaardig liet verdelen onder de twaalf stammen, wil ook dat het land rechtvaardig behandeld wordt: elk zevende jaar moeten de schulden worden kwijtgescholden, elke vijftigste jaar (= elk Nun jaar = Jubeljaar) moet het land worden herverdeeld, opdat de armen weer hun grond in bezit krijgen en daarmee tot hun recht komen.

Er is ook een verband tussen de Nun en een andere Hebreeuwse letter, de letter Chet, met de getalswaarde 8: Zoals de acht volgt op de zeven, volgt vijftig op zeven maal zeven. En zoals de chet  wijst op een radicale verandering in het persoonlijk leven – de verinnelijking van de Torah, de inwoning van de Stem van God- duidt de Nun op een radicale verandering van het volksleven: een vrije samenleving in verantwoordelijkheid aan de Allerhoogste. Samen vormen deze twee kernletters het woord ‘chen’: verrassing, onverwachte wending, genade, waarvan ook het Jiddische woord ‘gein’ is afgeleid. De getalswaarde van het woord ‘chen’ is 58. Dit is het getal van de genade, van de verrassende wending. Merkwaardig dat de 58e eeuw, die in onze jaartelling loopt van 1940 tot 2040, ook de eeuw is van de historische verrassing: De Messiaanse eeuw waarin het Messiaanse volk tot zijn bestemming komt in het Beloofde land. De tijd waarin God Zijn volk genadig, chen, zal zijn. Hen zal verrassen zoals in de dagen van Jéhoshú’áh. Het is schokkend om vast te stellen, dat volgens de Joodse kalender de 58e eeuw begon in 1940, dat is het Joodse jaar 5700, in het diepste donker van Israels geschiedenis.

Zoals God Zijn schepping begint vanuit de nacht -het was avond geweest en het was morgen, zo schiep Hij vanuit de nacht van Dachau en Auschwittz de dag van Israels verlossing. Als een verrassing (en uit genade, CV) mocht in het achtste jaar na het begin van de 58e eeuw, in Mei 1948, Israel uit het duister van de ballingschap en dood opstaan en te midden van de volken verschijnen als een vrij volk, in een eigen, zelfstandige staat, in het aan de vaderen beloofde land.

De terugkeer naar het Beloofde Land is een Messiaans signaal voor de hele wereld. Eens komt voor de volken het grote Jubel jaar waarin zij tot rust mogen komen op de hun toebedeelde aarde, in saamhorigheid met Gods eersteling, het Joodse volk.

Maar met de Nun begint ook het Hebreeuwse woord ‘Náqam’, wat ‘wreken’ of ‘vergelden’ betekent. Een woord dat onlosmakelijk met de God van Israel verbonden is. In Nahum 1 vers 2 lezen we immers:

Een wreker is de HEERE, zeer grimmig, een wreker is de HEERE voor Zijn tegenstanders.

Vaak wordt deze ‘wrekende God’ van Israel gesteld tegenover de liefdevolle God van het Nieuwe of Tweede Testament. Deze tegenstelling tussen ‘wet’ en ‘Evangelie’ is een giftige satanische constructie die onnoemelijk veel leed gebracht heeft voor het Joodse volk. Israëls God is niet de god van de Siciliaanse, Corsicaanse, Bosnische of Palestijnse bloedwraak, maar de God van het recht, die eist dat de moordenaars terechtgesteld worden.

Ook is het een hardnekkig satanisch misverstand dat de God van het Nieuwe Testament veel liever en zachter zou zijn dan ‘de God van het Oude Testament. Jezus Yehoshuah Zelf gebruikt soms keiharde taal over strafgericht en hellevuur, terwijl Johannes, de zogeheten ‘apostel van de liefde’ profeteert over de toorn van het Lam en over een strafgericht waarbij een vierde deel van de mensheid omkomt zoals we lezen in Openbaring 6 vers 8 en 17.

Het Nieuwe Testament is welbeschouwd veel gewelddadiger dan het ‘Oude’.

Maar in ieder geval gaat het hier niet om ‘wreken’ uit woede maar om rechtzetten. Als God het bloed van Zijn knechten wreekt, zoals je kunt lezen in Deuteronomium 32 vers 43, dan is Hij niet als Lamech die zijn woede koelt ‘zeventigmaal zevenmaal’ (Genesis 4 vers 24), maar dan doet Hij recht aan zijn verdrukte volk.

Het woord ‘naqam’ of ‘wreken’, heeft een samenhang met het Hebreeuwse woord voor ‘opstaan’. God staat op om recht te doen. Om recht te zetten wat scheef, of helemaal ondersteboven stond. Telkens is de Psalmen klinkt de oproep: Sta op, o God, doe ons recht!

Dat de gerichten van God rechtzettingen zijn geldt ook voor de wraakgerichten over de inwoners van het Beloofde Land, de Kanaänieten. Na de verwoesting van de Kanaänitsche steden Sodom en Gomorra -wat een onmiskenbaar waarschuwingssignaal was: zo vergaat het ieder die eigen wegen gaat en God de Schepper negeert- hadden de Kanaänieten 400 jaar de tijd gekregen om zich te bekeren.

Pas toen de ‘maat van hun ongerechtigheid’ vol was, zoals we lezen in Genesis 15 vers 13 en 16, kwam God met Zijn gerichtsdienaren onder leiding van Jozua. De radicale verwoesting van Jericho, de poort tot het Beloofde Land, was een laatste, naar achteraf blijkt, vergeefse oproep tot ommekeer.

Als laatste nog dit. Er is ook een woordverband tussen náqam: wreken, opstaan en rechtzetten en het Hebreeuwse woord ‘nácham’, troosten, De belofte van de komende rechtzettingen door God is voor het Godsvolk een bemoediging tijdens de verdrukking: Eens komen er andere tijden, eens zal God recht doen en alle tranen afwissen.

Tot zover wat ik las als een verklaring van Gods gerichten. Ik hoop en bid dat de woorden die in de afgelopen dagen gesproken zijn over dit uiterst gevoelige onderwerp niet verkeerd verstaan of begrepen zullen worden. Alsof ik handenwringend zoals Jona bij zijn boom gaat zitten afwachten hoe God Zijn gericht over deze aarde zal uitvoeren.

Ik vind het verschrikkelijk, verschrikkelijk, verschrikkelijk dat Gods gerichten zullen plaatsvinden. En ik zou in dit verband willen zeggen: ‘Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle’. Zij die de HEERE kennen kom geen enkele wraak toe, maar wij worden opgeroepen om onze vijanden lief te hebben zoals we in Romeinen 12 lezen:

Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God,  om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst .

En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid; om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof ; zoals God die aan ieder heeft toebedeeld.

Want; zoals wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde functie hebben,

zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar.

En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven:

hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen;

hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid.

Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede.

Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon.

Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.

Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed.

Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen.

Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog.

Vergeld niemand kwaad met kwaad.  Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.

Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

KLIK HIERONDER OM TE LUISTEREN


DELEN

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

EN / NL