Parasjat Ki-Tétsé (Het doel van de Torah)
28/08/2020

Parasjat Ki-Tétsé (Het doel van de Torah)

Spreker:
Passage: Deuteronomium 21:10-25:19

Mosjé vervolgt zijn toespraak voor het volk van Israël. Hij geeft vele aanwijzingen en voorschriften over tal van onderwerpen. Een ervan betreft het volledige uitroeien van het volk Amalek. Waarom doet hij dat? En waarom moest een geëxecuteerde nou aan een boom worden gehangen? Wat is nou het doel van de Torah? Zegen of … vloek?

Deel 1, de grondslag en de vervulling van de Torah

Uitgangstekst(en)

Deut. 6:4, 5: Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één! 5  Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.

Deut. 6:12,13:  wees dan op uw hoede dat u de HEERE, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft, niet vergeet. 13  U moet de HEERE, uw God, vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren.

Deut. 7:9:  Daarom moet u weten dat de HEERE uw God is. Hij is dé God, de getrouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, tot in duizend generaties.

Deut. 10:12,13: Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw God van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel; 13  Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.

Deut. 6:14,15:  U mag niet achter andere goden, de goden van de volken die rondom u zijn, aan gaan, 15  want de HEERE, uw God, is een na-ijverig God in uw midden; anders ontbrandt de toorn van de HEERE, uw God, tegen u en vaagt Hij u weg van de aardbodem.

Deut. 12:2-4:  U moet al de plaatsen waar de volken van wie u het land in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom. 3  Hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen met vuur verbranden en de beelden van hun goden omhakken; en u moet hun naam uit die plaats doen verdwijnen. 4  U mag tegenover de HEERE, uw God, niet doen zoals zij!

Romeinen 13:8-10:  Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de Torah vervuld. 9  Want dit: U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 10 De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de Torah.

Deel II: deel 2, het principe Amalek

Uitgangstekst(en):

Deut. 25:17-19: Denk aan wat Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok: 18  hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet. 19  Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het zó zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!

Exodus 17:8-13: Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim. 9  Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand. 10  Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel. 11  En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had. 12  De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere kant. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging. 13  Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.

1 Samuël 30:1-3: Toen David met zijn mannen op de derde dag in Ziklag kwam, hadden de Amalekiten een inval gedaan in het Zuiderland en Ziklag overvallen; Ziklag hadden zij veroverd en met vuur verbrand. En de vrouwen die daar waren, jong en oud, hadden zij gevangengenomen, zonder iemand te doden; zij dreven ze weg en gingen huns weegs. David kwam met zijn mannen bij de stad en zie, zij was met vuur verbrand, en hun vrouwen, zonen en dochters waren gevangengenomen.

Deel III: de Torah, brenger van vloek of leven?

Uitgangstekst(en):

Deut. 21: 22,23: Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft waarop de doodstraf staat, en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt, 23  dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag nog begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken.

Galaten 3:10-13: Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11  En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof leven. 12  Doch bij de wet gaat het niet om geloof, maar: wie dat doet, zal daardoor leven. 13  Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.

Deut. 5:33:  Heel de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft, moet u gaan, opdat u leeft, en het u goed gaat, en u uw dagen verlengt in het land dat u in bezit zult nemen.

Deut. 8:1:  U moet alle geboden die ik u heden gebied, nauwlettend in acht nemen, opdat u leeft, talrijk wordt en het land dat de HEERE uw vaderen onder ede beloofd heeft, binnengaat en in bezit neemt.

Matt. 5:17-20: Denk niet dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.

18  Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.

19  Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20  Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.

Romeinen 10:4: Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.

Romeinen 7:7: Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei: U zult niet begeren.

Galaten 3:23: Voordat het geloof echter kwam, werden wij door de wet bewaakt, als gevangenen opgesloten, totdat het geloof geopenbaard zou worden.

Lucas 24:44: En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.

Johannes 5:39: U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen.

Deut. 27:26:  Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden!

KLIK HIERONDER OM TE LUISTEREN


Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Reactie verzenden

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

EN / NL