We lezen
Thora Genesis 32:4-36
Haftara Obadja 1:1-21 (geheel)
Tweede testament Hebreeën 11:11-20

Introductietekst:
Bereshiet/Genesis 32:4

„Dan zendt Jacob voor zijn verschijning boden uit naar Esau, zijn broer; naar het land Seir,  -harigheid-, het veld van het bloedrode Edom“. (NV)

Wajislach, Hebreeuws voor “En hij (Jacob) zendt”. De parasja brengt ons op verschillende thema’s. Deze keer staan we vooral stil bij de betekenis van de naam Israël. Er staat “en hij Jacob zendt” en zo werd ook later het volk Israël in de wereld gezonden. De vraag is voor ons allen door wie laat je, je zenden en met wie ga je op pad? Jacob was op de weg terug in allerlei opzichten. In eerste instantie naar zijn broer Esau die hij 22 jaar geleden ontvlucht was. Voordat hij het beloofde land Israël kan betreden moet er eerst nog iets worden recht gezet. Jacob gaat na het gevoerde gevecht en de ontvangen zegen, Esau tegemoet en ze sluiten elkaar in de armen. De broedertwist is beslecht.

Er lijkt een harmonieuze basis gelegd voor de latere volkeren Israël (strijder voor God) en Edom (rode aarde)  om gezamenlijk in harmonie op te trekken. De geschiedenis leert ons echter o.a. via de profeet Obadja dat het tegendeel waar is. Ook aan Edom is de vraag gesteld: “Kiest u heden wie gij dienen zult”.  Psalm 146 geeft het antwoord:  “Gelukkig – welzalig – wie de God van Jacob tot hulp heeft, wie zijn hulp vestigt op de HEER, zijn God”. Met Hem alleen kunnen we echt gezonden worden. Laten we bidden dat zo, juist in deze verwarrende wereld, de en Zijn sjaloom voor Israel en de volken gestalte mag krijgen. Daar hoort bij dat we de relatie zoeken. Dat we ons  op elkaar aangewezen weten. Dat zal Hij zegenen en die zegen maakt ons tot kanalen van zegen voor elkaar.

Shalom,

Presentatie: Arnold Visscher

EN / NL