Vandaag staat Numeri 30:2-36: 13 en Jeremia 2:4-28 en 3:4 en Hebreëen 3 en 4 op de agenda.

Twee parasha’s Matot – de stammen en Masei – de trektochten. De stammen van Jakob staan op het eind van de tochten door de woestijn op het punt het beloofde land erfelijk in bezit te gaan nemen. Zij moeten de vijanden van God en hun stomme afgoden daaruit weg doen. Daartoe waren zij op reis gegaan.

De halve stam Manasse, de Rubenieten en Gadieten vragen aan Mozes om hun een erfdeel in het Over-Jordaanse te geven. Mozes stemt onder voorwaarde daarmee in en nadat zij een belofte gedaan hadden. Zij zouden in de voorhoede strijden totdat het gehele land in bezit was genomen, dan zouden zij naar hun huizen, land en vee gaan en van de rust genieten, door geen vijanden meer bedreigt.  Zij waren vol vertrouwen op de overwinning en moedigden de andere stammen aan in de strijd.

De HEERE zocht voor Zijn volk een plaats van rust te bereiden, zodat Hijzelf op de plaats van rust te Jeruzalem woning kon maken in hun midden. Stefanus citeert de woorden van de profeet Jesaja 66:1 Zo zegt de HERE: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen, en waar de plaats Mijner rust?  Dit alles heeft immers mijn hand gemaakt en zo is dit alles ontstaan, luidt het woord des HEREN; op zulken sla Ik acht: op de ootmoedige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord diep ontzag heeft.

De HEERE zoekt woning te maken in de harten van hen die tot de rust van het geloof ingaan, in de sabbatsrust. Bij hen die beseffen dat Hij de overwinning over de macht van de zonde, de wereld en de dood reeds heeft behaald. Dat Hij Zijn volk nu toerust en bekwaam maakt tot het erfdeel der heiligen in het licht, daartoe heeft Hij de Geest gegeven als onderpand.

Shalom,

Presentatie:  Robert Berns

EN / NL